Bieke in Zuid-Afrika
Januari 2010
Onze Teku-kanners blijven ons verbazen. We hebben er zeker nog het laatste niet van gehoord.
Neem nu Bieke Vanhooydonck: een niet te grote en moedige jonge dame,OK; is van Antwerpen, dat nemen we erbij; komt in Gent trainen, getuigt van goede smaak en zeer objectief beoordelingsvermogen; valt soms fietsers aan, met alle gevolgen vandien; organiseert soms clubfeesten, ook OK; maar rondlopen in de brousse en spelen met kameleons en leeuwen; ... wel, geef toe ..., dat had ik nog niet zo dadelijk verwacht!
En ze was zo vriendelijk om, op vraag van onze webmaster, een verslagske op te sturen. De tekst is wel wat serieus, maar de prentjes zijn echt de moeite waard!
Biologen in Zuid-Afrika
In woorden…
Zuid-Afrika is vooral gekend omwille van zijn grote, snelle zoogdieren (bv. leeuwen, luipaarden, giraffen, olifanten). Minder opvallend is dat ook andere diergroepen, zoals vogels, reptielen, insekten, en planten in uitzonderlijke aantallen voorkomen. Dit maakt van Zuid-Afrika een ware hotspot van biodiversiteit en een bijzonder leerrijke bestemming voor evolutiebiologen, geϊnteresseerd in het “hoe en waarom” zoveel verschillende soorten samen kunnen voorkomen.
Sinds vorig jaar maak ik deel uit van een internationaal team biologen dat probeert (…) de enorme diversiteit aan reptielen (hagedissen en slangen) in zuidelijk Afrika in kaart te brengen en te verklaren (http://sites.google.com/site/reptilespeciationproject/home). Om te begrijpen hoe en wanneer gemeenschappen van samen voorkomende reptielen zijn ontstaan, gaan we de onderlinge evolutionaire verwantschappen (opstellen van stambomen) na. Zo komen we te weten welke soorten nauw(er) verwant zijn aan elkaar, hoe oud de radiatie is en welke soort kan beschouwd worden als “voorouder”. Om te kunnen verklaren hoe deze gemeenschappen kunnen blijven bestaan, bestuderen we hoe de verschillende soorten de beschikbare hulpbronnen onderling verdelen en welke adaptaties ze hiervoor vertonen. Praktisch betekent dit intensief veldwerk, waarbij het vangen van alle reptielen in een bepaald studiegebied onze belangrijkste, maar tegelijkertijd ook moeilijkste en meest zenuwslopende -in sommige gevallen zelfs gevaarlijkste- taak is. De gevangen dieren krijgen ter plekke een unieke code en een GPS-coordinaat, waarna ze meegenomen worden naar ons veldstation. In het veldstation wordt bepaald wat elk dier gegeten heeft (aan de hand van maagspoelingen) om na te gaan of de verschillende soorten verschillend voedsel (één van de beschikbare hulpbronnen) verkiezen. In dit verband meten we ook hoe hard elk dier kan bijten en hoe groot (breed, hoog, lang) kop en kaken zijn (adaptaties aan het eten van ander voedsel). Van dezelfde individuen wordt ook gemeten hoe snel ze kunnen lopen, hoe lang hun poten, staart en lichaam zijn. Dit om eventuele aanpassingen aan een verschillend habitatgebruik (een andere hulpbron) bloot te leggen. Ten laatste nemen we van elk dier een DNA-staal voor het opstellen van de evolutionaire boom. Na één dag in onze handen, wordt elk dier gezond en wel vrijgelaten op zijn exacte vangstplaats.
Na drie weken ononderbroken veldwerk op drie locaties in noordelijk Zuid-Afrika, lange dagen (6:00u – 22:00u) en korte nachten, extreme temperaturen (40 graden in de schaduw), in het gezelschap van giraffen, koedoes, neushoorns, zebra’s, secretarisvogels, struisvogels, meerkatten, allerhande “bokkies”, waterbuffels, olifanten en leeuwen (soms iets te dicht naar hun zin…), meer dan 4500 km op Zuid-Afrikaanse wegen, platte banden van een “ongewone” makelij en “nergens” te verkrijgen (hoort precies zo in Zuid-Afrika), enkele Zuid-Afrikaanse gewoontes en woorden rijker, ben ik moe, maar voldaan, met een pak nieuwe data op zak terug in België aangekomen. Nu nog de labo-analyses en de verwerking van al deze gegevens...
En beelden...
De link

